Nederlandse milieubeleid moet op een andere leest ... anders blijven we het lachertje van Europa

01.04.2016
Door: R. van der Ploeg

Het CBS rapporteert 31 maart wat iedereen eigenlijk al wist: het Nederlandse milieubeleid is volstrekt onvoldoende vergeleken met de rest van Europa.1 Slechts 5,5 procent van onze energie komt in 2014 uit hernieuwbare bronnen zoals wind, zon, algen of geothermisch terwijl het Europese gemiddelde 16 procent is. Koploper is Zweden met 53 procent en alleen Luxemburg en Malta doen het nog slechter dan wij. Op grond van bindende afspraken in 2009 had Nederland afgesproken 14 procent hernieuwbare energie te gebruiken. Daar zitten we dus ver onder en daarmee is Nederland na Frankrijk hekkensluiter in Europa. De redenen zijn vooral dat Nederland relatief weinig energie opwekt uit waterkracht en uit het verbranden van biomassa zoals in Zweden en dat de Nederlandse overheid vergeleken met de Duitse en Deense overheid relatief weinig steun geeft voor het produceren van energie uit hernieuwbare bronnen. Daarnaast is het zo dat Nederland de energieverslindende sectoren als transport, distributie, tuinbouw en staal ontziet door niet de volle maatschappelijke kosten te rekenen van benzine, steenkool en gas.

Het Internationaal Monetair Fonds berekent immers dat Nederland momenteel jaarlijks zo’n 10 miljard euro toelegt op fossiel energieverbruik doordat de kosten inclusief de maatschappelijke schade ten gevolge van fijnstof en opwarming van de aarde niet volledig in de kostprijs worden meegenomen. Dit komt neer op 1,6 procent van het BNP; de cijfers zijn gebaseerd op het rapport 'How Large Are Global Energy Subsidies' uit mei 2015. Dat komt neer op 540 euro voor elke burger van ons land. Burgers zouden gemiddeld 300 euro meer moeten betalen voor schade door opwarming van de aarde, 127 euro voor lokale luchtvervuiling en daarbovenop nog extra voor economische schade ten gevolge van files, schade aan het wegdek en ongelukken. Van die 10 miljard euro gaat 2,1 miljard euro naar benzine, 2,7 miljard euro naar steenkool en 5,2 miljard euro naar gas.

Om de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 2 graden Celsius hoger dan in het pre-industriele tijdperk zal wereldwijd 80 procent van de steenkolenreserves (vooral in China, Rusland en de Verenigde Staten), een derde van de oliereserves (alles in Antarctica en Canada) en de helft van de gasreserves nooit verbrand mogen worden. Hernieuwbare energie moet daarom de brandstof van de toekomst worden. Helaas gaat het belabberd. McKinsey voorspelt in haar rapport van maart 2016 met de titel 'A Reality Check for Renewable Energy' dat wereldwijd hernieuwbare energie met 4,6 procent per jaar fors toeneemt in de komende 25 jaar, maar dan nog is het aandeel hernieuwbare van energie in de totale productie 2014 slechts 17 procent. Er is dus nog een lange weg te gaan. Wat staat Nederland te doen?

De hoogste prioriteit is alle subsidies op fossiele brandstoffen per direct af te schaffen. Bij de herziening van het Energieakkoord doet men er dus goed aan al die subsidies af te schaffen en niet energie te belasten maar CO2-uitstoot te belasten. Steenkool is immers veel vervuilender dan gas per eenheid van geleverde energie.

Ten tweede, subsidies voor het gebruik van specifieke hernieuwbare energie moeten vervangen worden door generieke R&D subsidies voor de energiebronnen van de toekomst zoals zon, wind, algen en fusie. Vermeden moet worden dat de overheid op de stoel van de ondernemer gaat zitten. Aggressieve tijdelijke subsidies voor hernieuwbare energie kunnen helpen om een nieuwe economische sector van duurzame energie op gang te helpen. Daarnaast moeten grote hoeveelheden durfkapitaal worden gericht op risicovolle technologische ontwikkelingen op het gebied van duurzame energie. Een goed voorbeeld daarvan is het kleinschalig produceren van fusie-energie. Dat is nu nog niet rendabel, maar door innovatieve bedrijven te helpen de kosten verlagen door het productieproces te verbeteren kan spectaculaire vooruitgang worden geboekt.

Ten derde, het is cruciaal dat CO2 belasting niet uitgesteld wordt en geleidelijk stijgt met het BNP en dat dit milieubeleid geloofwaardig is. Het is ook cruciaal dat hernieuwbare energie niet excessief wordt gesubsidieerd. Anders dreigt het fenomeen van de Groene Paradox: steenkool-, olie- en gasboeren dumpen hun fossiele brandstoffen versneld op de markt om te voorkomen dat ze uit de markt worden gedrukt door hernieuwbare energie en daarom wakkeren ze de CO2-uitstoot en opwarming van de aarde aan op de korte termijn, met name als het aanbod van fossiele brandstoffen relatief onelastisch is.

Ten slotte, pensioenfondsen, beleggers in het algemeen en banken moeten er ernstig rekening meehouden dat het niet lang zal duren voordat fossiele brandstoffen tot het verleden gaan behoren. Al die bedrijven die daarvan afhangen zullen dus in waarde dalen. De beleggingen moeten daarom 'CO2-proof' worden gemaakt door uit deze fossiele bedrijven te stappen tenzij ze het roer fundamenteel omgooien.

Rick van der Ploeg, Universiteit van Oxford en VU University Amsterdam.


[1] http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/industrie-energie/publicaties/artikelen/archief/2016/nederland-voorlaatste-op-ranglijst-eu-hernieuwbare-energie.htm?RefererType=RSSItem


Categorie: columns

 nieuws